Op 26 juni dit jaar werd het in het Limburgse Ell 39,4 graden, de hoogste temperatuur die ooit in juni in Nederland is gemeten. De hittegolf die volgde duurde twaalf dagen, een van de langste sinds de metingen in 1901 begonnen, en gold volgens klimaatonderzoekers als de zwaarste die West-Europa ooit trof.
Voor wie in de zorg werkt, aan het water, of in de logistiek, is klimaatverandering geen abstract vraagstuk meer. Rachel Kuijlenburg ziet dat besef ook op andere plekken groeien dan je zou verwachten. Zij werkt bij Logius, de digitale overheidsdienst van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aan het verduurzamen van ICT binnen het Rijk, en geeft de masterclass Duurzame ICT Inkoopstrategieën bij TU Delft samen met universitair hoofddocent Przemyslaw Pawelczak. “Ik zie in de meeste organisaties zeer veel mensen die begaan zijn met het milieu, en nu met de warmte en de hittegolven voelen we dat ook in Nederland aan den lijve.”
Kuijlenburg vult aan waarom dat misverstand zo hardnekkig is. “We kijken graag naar het datacenter. Ja, dat is vervuilend, want het kost energie, water en grondstoffen zoals cpu’s. Maar mensen moeten zich realiseren dat we een enorme IT-infrastructuur hebben gebouwd omdat we de hele dag in contact willen staan en onze data heel graag willen bewaren. We denken dat dat gratis is, maar die data staat ergens bij een datacenter, en dat vraagt energie, water en spullen.” Tegelijkertijd, zegt ze, willen mensen en organisaties ook het nieuwste van het nieuwste: telefoons, iPads, laptops.
Wat mensen niet beseffen, is dat tachtig procent van de voetafdruk van ICT in de productie van die spullen zit. Onafhankelijke levenscyclusanalyses van laptops en smartphones bevestigen die orde van grootte: al snel zeventig tot negentig procent van de klimaatimpact van een apparaat ligt vast voordat het voor het eerst wordt aangezet, in de winning van grondstoffen, de fabricage van chips en schermen, en het transport. Precies daarom hanteert Kuijlenburg een simpele vuistregel, de R-ladder: eerst Refuse, niet kopen als het niet nodig is, dan Reduce, minder aanschaffen, Reuse, hergebruiken van wat er al is, en als die dingen niet meer kunnen, dan Repair, repareren in plaats van vervangen.
Voor wie morgen een aanbesteding schrijft, vertaalt Kuijlenburg dat naar concrete keuzes. Bij telefoons en laptops betekent inzetten op de R-ladder vooral: geen nieuwe apparaten kopen, maar refurbished, en dat vraagt om duidelijke reparatieafspraken met de leverancier. Ook een zo lang mogelijke levensduur: “niet na drie jaar afschrijven en vernieuwen, maar minimaal vijf tot zeven jaar laten meegaan. Maar dan moet je wel goede inkoopafspraken maken met je leverancier.” Hoe hardnekkig de huidige praktijk daarentegen is, blijkt uit interne cijfers gedeeld door het Rijk dat een diensttelefoon in 2023 gemiddeld nog geen twee en een half jaar mee gingen voordat hij werd vervangen. ICT-contractmanager Johan Rodenhuis noemde dat destijds zo zonde dat hij een compensatieproject startte, waarbij voor elke nieuwe smartphone die het Rijk koopt, er één wordt gered van de afvalberg in Afrika.
Ook bij software valt volgens Kuijlenburg winst te behalen. “Zorg dat je leverancier kundig is in het bouwen en onderhouden van groene software, software die zo min mogelijk energie vraagt van de apparaten waar het op draait.” Zelfs iets technisch als een pentest kan slimmer worden ingekocht: niet standaard de hele codebasis laten testen, maar met de leverancier afspreken om gericht en efficiënt te testen op het deel dat daadwerkelijk is aangepast. Die logica reikt inmiddels verder dan software alleen: ook bij kunstmatige intelligentie bepalen het onderliggende verdienmodel en hoe zuinig een organisatie het inzet, iets dat wel ‘green prompting’ wordt genoemd, hoeveel een tool daadwerkelijk aan energie kost, een van de onderwerpen waar de masterclass dieper op ingaat. “Kortom, je kan op alle onderdelen van de inkoop van ICT inzetten op duurzaamheid. Minder energieverbruik, minder grondstoffengebruik, door goede afspraken.”
Die afspraken stoppen niet bij de handtekening onder het contract. “Op papier kan je alles mooi inkopen, maar zoals de Engelsen zo mooi zeggen: the proof of the pudding is in the eating,” zegt Kuijlenburg. “Dus naast inkopen moet je ook duurzaam contractmanagement hebben. Je wilt als partner naast je leverancier staan en samenwerken om een zo duurzaam mogelijke samenwerking te realiseren.” Pawelczak voegt daar een economische dimensie aan toe: een oplossing die in de praktijk werkt, houdt ook rekening met de economische kant van de zaak en probeert juist de extra kosten van de transitie te verminderen, in plaats van ze simpelweg door te schuiven.
Diezelfde gedachte, dat het niet bij goede bedoelingen mag blijven, zit onder wat Kuijlenburg en Pawelczak Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen noemen, kortweg MVOI. “MVOI serieus behandelen vraagt om leiderschap en horizon,” zegt Kuijlenburg. “Voor een schip zonder koers is elke wind tegen. Ik zie veel organisaties die het als een vinkje behandelen, want het staat nu eenmaal in de wetgeving.” Wat volgens haar wel werkt: heldere doelstellingen, afspraken met leveranciers, en een terugkerende check, plan-do-check-act, of die doelstellingen ook echt gehaald worden. Leiders hoeven daarbij geen directeuren te zijn, zegt ze: het kunnen ook medewerkers zijn die zich rond een gedeeld doel verzamelen.
De Nederlandse overheid is in die zin geen kleine speler: als grootste ICT-inkoper van het land heeft ze, zoals de TU Delft het zelf omschrijft, een voorbeeldrol te vervullen. Toch zit er volgens Kuijlenburg vaak een gat tussen wat technisch mogelijk is en wat er in een aanbesteding daadwerkelijk wordt gevraagd. “Ik zie vaak een gebrek aan handelingsperspectief bij inkopers. Zij kopen van alles in, van schoonmaakmiddelen tot software en datacenters. ICT inkopen is al een specialisme, laat staan duurzame ICT.” Wat je precies uitvraagt bij nieuwe mobiele apparaten is iets anders dan wat je uitvraagt bij een softwaresysteem voor de waterwegen.